Aveneu Park, Starling, Australia

Artikel zaken ten aanzien van de beëindiging van

Artikel 8 EVRM ziet op het recht op eerbiediging van
privé familie- en gezinsleven. Om een beroep te kunnen doen op dit artikel moet
er worden vastgesteld dat er sprake is van een ‘gezinsleven’.1
Het is echter niet eenvoudig om te bepalen wat er onder dit begrip moet worden
verstaan, omdat dit altijd afhankelijk is van de omstandigheden van het geval
en de context waarbinnen een rechtsvraag gesteld wordt.2
Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) meldt dat er bij de
term ‘gezinsleven’ gekeken dient te worden naar ‘the existence in practice of close personal ties’.3
Met andere woorden, er moet sprake zijn van een ‘nauwe persoonlijke betrekking’
tussen een kind en een persoon.

Artikel 8 EVRM heeft een
belangrijke rol gespeeld omtrent de verschuiving binnen het familierecht van
een puur formeel ‘gezinsleven-begrip’, naar een meer feitelijke benadering die
meer de realiteit voor ogen heeft. Het open karakter van de bepaling komt
hiermee tot uiting. Artikel 8 lid 1 EVRM kan een rol spelen in zaken ten
aanzien van de beëindiging van gezag.4
Het opleggen van een kinderbeschermingsmaatregel zoals een gezagsbeëindigende
maatregel betekent namelijk een grote inbreuk op het ‘gezinsleven’ van de ouder
en het kind, omdat een ouder de opvoeding en verzorging van het kind niet meer
mag uitoefenen. In aanvulling hierop, in het tweede lid wordt er gesteld dat
een inbreuk op het gezinsleven door de overheid gerechtvaardigd is als deze bij
wet is voorzien, een legitiem doel dient en noodzakelijk is in een
democratische samenleving.5
Bij de beoordeling van deze vereisten hebben de Staten een zekere
beoordelingsruimte, oftewel ‘margin of
appreciation’. Deze beoordelingsruimte wordt begrensd door de beginselen
van proportionaliteit en subsidiariteit. Het proportionaliteitsbeginsel stelt
de essentiële vraag of er enerzijds een redelijke verhouding bestaat tussen de
aantasting van iemands recht en anderzijds de legitieme doelstelling die
nagestreefd moet worden. Het subsidiariteitsbeginsel houdt in dat de overheid
inbreuken op de rechten van burgers zoveel mogelijk moet minimaliseren. Dit kan
geschieden door alternatieve oplossingen te vergelijken en vervolgens te
trachten om haar doelen te bereiken ‘in
the least onerous way as regards human rights’.6
Of aan het proportionaliteitsbeginsel en subsidiariteitsbeginsel is voldaan, waardoor
het instellen van een gezagbeëindigende maatregel dus noodzakelijk wordt
geacht, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Hierbij moet er een
belangenafweging gemaakt worden, waarbij er gekeken moet worden naar de
belangen van alle betrokkenen. Maar het EHRM stelt in de zaak Johansen/Noorwegen
dat er wel meer gewicht toegekend moet worden aan het belang van het kind.7
In aanvulling hierop wordt er benadrukt dat het belang van het kind niet zonder
meer overeenkomt met de belangen van de ouders.8
Het belang van het kind moet concreet en expliciet worden meegewogen.

We Will Write a Custom Essay Specifically
For You For Only $13.90/page!


order now

            De
nadruk van de kinderbeschermingsmaatregelen ligt sterk op de stabiliteit en de
continuïteit van de opvoeding en verzorging van het kind.9
Tevens ziet het EHRM de hereniging van het gezin als streven. In de zaak
N.P./Moldavië heeft het EHRM geoordeeld dat een gezagsbeëindigende maatregel
slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mag worden ingesteld, nadat er een
zorgvuldige frequente evaluatie heeft plaatsgevonden van de mogelijkheden tot
thuisplaatsing.10 Wanneer
duidelijk is geworden dat hereniging van ouder en kind niet meer mogelijk is of
niet in het belang voor het kind is, zal er een gezagsbeëindigende maatregel worden
ingesteld.

1 EHRM 13 juni 1979, appl. no.6833/74
(Marckx / België), par.31.

2 Asser-De
Boer, nr. 12-20.

3 Lebbink tegen
Nederland, EHRM 1 juni 2004, appl. No. 45582/99, par. 36 en K&T tegen
Finland, EHRM 27 april 2001, appl. No. 25702/94, par. 150.

4 EHRM 24
maart 1988, Olsson t. Zweden, zaak nr. 10465/83.

5 Artikel
8 lid 2 EVRM.

6 J. Vande
Lanotte en Y. Haeck (red.), Handboek EVRM, Deel 2, Artikelsgewijze
commentaar, Volume I, Antwerpen-Oxford, Intersentia (2004), p. 719-720.

7 EHRM 7 augustus 1996, appl. no.

17383/90 (Johansen / Noorwegen).

8 EHRM 26 november 2013, appl. no
27853/09 ( X./ Letland), par. 101

9 Artikel
20 lid 3 IVRK.

10 EHRM 6 oktober 2015, appl. no. 58455/13
(N.P. / Moldavie).

 

x

Hi!
I'm Mack!

Would you like to get a custom essay? How about receiving a customized one?

Check it out